EN • NL
Ticketshop

De altaarstukken van Rubens, Van Dyck en Jordaens

De opdracht
In 1628 kregen de drie belangrijkste Antwerpse schilders, Pieter Paul Rubens, Antoon Van Dyck en Jacob Jordaens, de opdracht de drie voornaamste altaren van de kerk met schilderijen te verfraaien. De aanleiding was ongetwijfeld de geplande samenkomst van het algemeen augustijnenkapittel in het Antwerpse klooster, in juni van hetzelfde jaar.

Wellicht dachten de augustijnen voor deze belangrijke opdracht aanvankelijk alleen aan Rubens en heeft die zelf voorgesteld het werk voor de twee zijaltaren te delegeren aan Van Dyck en Jordaens. Niet alleen waren zij naast Rubens de belangrijkste historieschilders in Antwerpen, zij waren voordien ook zijn meest begaafde assistenten geweest. 
Rubens had een dwingende reden om het schilderwerk voor de zijaltaren over te laten aan Van Dyck en Jordaens. In 1628 zou hij voor twee jaar op diplomatieke reis vertrekken naar Spanje en Engeland. Ongetwijfeld wist hij dat reeds toen hij de opdracht kreeg.

Rubens maakte het schilderij voor het hoofdaltaar. Voor dat enorme doek ontving niet minder dan 3000 gulden. Dat was een exorbitante som en ze zegt veel over de faam die hij op dat ogenblik genoot. De twee medewerkers van Rubens dienden het met een veel bescheidener loon te stellen. Aan Van Dyck werd 600 gulden betaald. Wat Jordaens ontving is niet bekend, maar vermoedelijk ging het om hetzelfde bedrag. Een som van vijf- à zeshonderd gulden was immers de gemiddelde prijs voor een altaarstuk van normale afmetingen.

AMUZ

AMUZ

Rubens: Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina
In Rubens’ schilderij wordt duidelijk gemaakt aan wie de Antwerpse augustijnenkerk oorspronkelijk was toegewijd. Het beeldt uit hoe Maria, in rood kleed en blauwe mantel, als Moeder van God wordt vereerd door de heiligen. Het kind Jezus staat op haar schoot en schuift een gouden ring aan de vinger van de Heilige Catharina, die aldus Christus’ bruid wordt. Achter Maria staat Jozef, naast hem Johannes de Doper. Helemaal links kijken Sint-Paulus en Sint-Petrus toe. Rechts, onder Johannes de Doper zien we Sint-Nicolaas van Tolentino, met het brood waarmee Maria hem genas, de heilige Laurentius is te herkennen aan het rooster waarop hij werd verbrand en Sint-Augustinus aan zijn bisschopsmijter en staf. In zijn linkerhand houdt hij het vlammend hart. Met de rug naar de kijker staat Wilhelmus van Malevale. Hij stichtte de congregatie van de Wilhelmieten die, door de Magna Unio van 1256, mee vorm gaf aan de orde van de augustijnen. Naast hem is Sint-Sebastiaan te zien met martelaarspalm. Hij is in gesprek met Sint-Joris die de draak verplettert. De vrouwengroep links onderaan wordt gevormd door de heilige Clara van Montefalco, met weegschaal, en Maria Magdalena. 

Twee belangrijke achterliggende thema’s zijn de verheerlijking van Maria’s maagdelijk moederschap en de verering van de heiligen als voorsprekers. Beide ideeën werden bestreden door de reformatoren en daarom des te sterker gepromoot door de contrareformatie. 
Meteen verwees het thema van de ‘onbevlekte ontvangenis’ ook naar de kuisheidsregel die de Augustijnen, zoals trouwens alle andere seculiere en reguliere geestelijken, in acht dienden te nemen.

Professor Hans Vlieghe schrijft over dit werk: “Opmerkelijk is de zwierige bewogenheid in deze monumentale compositie. Een zelfde levendige en rijk gestoffeerde enscenering zou vooral in het latere oeuvre van Rubens een belangrijke rol spelen. De opbouw van de compositie en haar warme kleurengamma zijn onmiskenbaar Venetiaans van inslag. De weelderige architectuur van troon en achtergrond herinnert aan soortgelijke feestelijke madonnavoorstellingen door Titiaan en Veronese. Overigens zou de zwierige en levendige vormgeving bijzonder karakteristiek worden voor de algemene ontwikkeling van de barokstijl in de Vlaamse kunst. Ook de taferelen van Jordaens en Van Dyck, worden door deze dynamiek gekenmerkt.”

Van Dyck: De Extase van Sint-Augustinus
Voor het linker zijaltaar schilderde Van Dyck De Extase van Sint-Augustinus. De heilig Augustinus wordt in vervoering gebracht door een hemels visioen waarin hij de Heilige Drievuldigheid ziet verschijnen. Hiermee verwijst dit werk naar de bijzondere mystiek van de Augustijner eremijten. Het schilderij is opgedeeld in twee groepen. In de onderste groep, de aardse, staat Augustinus centraal. Links wordt hij ondersteund door een engel en daarnaast, geknield, zien we zijn moeder, de heilige Monica. Rechts van Augustinus wijst een engel naar de verschijning in de hemel. Naast de engel knielt Nicolaas van Tolentino. De overgang naar de bovenste groep wordt gevormd door een zuil die vervaagt in de hemel. Talrijke engeltjes omringen daar de Heilige Drievuldigheid: Christus, een duif als symbool voor de Heilige Geest, de driehoek met in het Hebreeuws de naam van God de vader: Jehova.

Jordaens: De Marteldood van de heilige Apollonia

Het doek van Jordaens, voor het rechter zijaltaar, beeldt de Marteldood van de Heilige Apollonia uit. Tot de kerkschat behoren overigens relikwieën van deze heilige, met name een groot deel van haar gebit. Gezien de omstandigheden van haar marteldood in een bovendien zeer ver verleden, zijn grote twijfels over de authenticiteit van die relieken echter gewettigd.

Volgens Hans Vlieghe heeft dit schilderij een zelfde bewogenheid, pathetische mimiek en fel gebarenspel als de andere werken. Inhoudelijk zijn de altaarstukken van Van Dyck en Jordaens echter elkaars tegenpolen. Van Dycks werk legt de nadruk op het contemplatieve karakter van de ordespiritualiteit; Jordaens’ martelscène maakt duidelijk hoe een heilige ook door zijn daden een belangrijke voorbeeldfunctie kan hebben. Zo worden de beide traditionele wegen van de zelfvervolmaking tegenover elkaar geplaatst: de ‘vita contemplativa’ en de ‘vita activa’, twee even belangrijke richtpolen voor de augustijnen, maar evenzeer voor de gewone gelovigen.

Onder een groep engelen bevindt zich centraal in de wat minder harmonische compositie de heilige Apollonia. Onderaan naast de ruiters stookt een beul het vuur voor de brandstapel. Een andere beul rukt Apollonia de tanden uit. Een oude heidense priester spoort haar aan te offeren aan Jupiter. Volgens de legende, die zich omstreeks 250 in Egypte afspeelt, wierp Apollonia zich uiteindelijk zelf in het vuur om aan de kwellingen te ontkomen zonder godslasterlijke woorden te hoeven uitspreken. Voor de kerk was die zelfmoord wel problematisch, maar niemand minder dan Augustinus vond de juiste verklaring: dergelijke daden van martelaren waren volgens hem ingegeven door de Heilige Geest en bijgevolg dient de zelfdoding te worden beschouwd als een opoffering om aan die ingeving tegemoet te komen.