EN • NL
Ticketshop

De Augustijnen in Antwerpen

De paters die in het begin van de 17de eeuw in Antwerpen neerstreken, waren niet de eerste augustijnen die hier een convent oprichtten. Een eeuw voordien hadden de zogenaamde augustijnen-observanten van de Saksische Congregatie dat al gedaan. Die observanten hielden zich strakker aan de regel van Augustinus dan de gewone augustijnen dat van lieverlee waren gaan doen. 

Aanvankelijk werden de observanten dan ook aangemoedigd door hun generale oversten. Dat veranderde echter toen een van hun leden, met name Maarten Luther, in 1517 zijn 95 stellingen tegen de deur van de Wittenbergse slotkerk timmerde. Algauw bleek immers dat ook andere observantencongregaties het lutherse gedachtegoed best konden waarderen. En dat was allerminst naar de zin van de kerkelijke overheid.


Een rovershol

Ook Jacobus Praepositus, prior van de Antwerpse observanten en ooit nog leerling van Luther, verkondigde diens stellingen met succes. Omstreeks 1519 bestond de hele kloostergemeenschap uit lutheranen. Dit lokte uiteraard reactie uit. Voor de staatsinquisitie was het klooster immers een ‘rovershol’ geworden, waartegen drastisch diende opgetreden. In 1522 begon een lange en nare geschiedenis van vervolging, bekentenissen, herroeping van die bekentenissen en nieuwe veroordelingen. Het verhaal eindigde in 1523 op de Brusselse Grote Markt, waar twee paters om hun ketterse ideeën werden geëxecuteerd op de brandstapel. Praepositus, ‘het vette Vlamingske’ zoals Luther hem placht te noemen, was intussen gevlucht naar zijn leermeester. Het Antwerpse klooster werd afgebroken, de kerk omgevormd tot parochiekerk – de huidige Sint-Andrieskerk. 

Tweede keer, goede keer
Het kan niet verwonderen dat de augustijnen in het begin van de 17de eeuw nog meer moeite hadden om toegelaten te worden in de Sinjorenstad die na de val in 1585 een bolwerk van de contrareformatie was geworden. Hoezeer ze zich ook uitsloofden om aan te tonen dat ze niets met die ketterse observanten te maken hadden, toch stuitten zij lange tijd op tegenstand. Vooral het Onze-Lieve-Vrouwekapittel deed moeilijk. Maar dat was niet alleen uit vrees voor nieuwe ketters. De kanunniken stonden weigerachtig tegenover de vele kloosterorden die toen beschutting zochten binnen de stadsmuren. Zij zagen die bijkomende kloosters immers als een bedreiging voor hun macht en geldelijk gewin. Een toelating ging dan ook altijd gepaard met strenge voorwaarden.

Uiteindelijk mochten de augustijnen zich in 1608 in Antwerpen vestigen. In de Everdijstraat kregen ze een pand toegewezen waarvan ze, ondanks tegenstand van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel, vrijwel meteen een deel verbouwden tot kapel. Dat ze niet dadelijk een kerk optrokken, was een kwestie van middelen. Maar blijkbaar wisten ze dat probleem snel op te lossen. Toen hun provinciale overste er in 1611 op aandrong toch maar een heuse kerk te bouwen, begonnen ze zo snel mogelijk aan de voorbereidingen. Reeds in 1615 gingen de werkzaamheden van start. De schenkingen van de aartshertogen Albrecht en Isabella, de stad en veel gulle Antwerpenaars waren daar zeker niet vreemd aan.


Het klooster groeit 

De kerk had haar poort in de Cammerstrate, wat Brouwerstraat betekende. De naam werd onder Franse bezetting verkeerdelijk vertaald als Rue des Peignes en daarna opnieuw vernederlandst tot Kammenstraat. 
Tot halfweg de 16de eeuw bevonden zich in deze buurt inderdaad verscheidene brouwerijen. Het eerste gebouw van de augustijnen was trouwens dat van de vroegere brouwerij De Ketel. Die brouwerijen waren één na één naar de Nieuwstad verhuisd – de omgeving van de huidige Brouwersvliet. In hun plaats zakten de drukkers naar deze buurt af. Sint-Augustinus was daarmee overigens helemaal aan het goede adres, want zowel voor de brouwers als voor de drukkers is hij een patroonheilige.


Het klooster
Het klooster ontwikkelde zich in het gebied tussen de Everdijstraat, de Kammenstraat en de Oudaan. 
In die straten kochten de paters om te beginnen twaalf huizen en tuinen. Op dat terrein begonnen ze vanaf 1623 hun convent te bouwen. Daarna kochten ze nog heel wat huizen bij, zowel voor uitbreiding van het klooster als om te verhuren. Omstreeks 1678 was de pandgang rondom het convent voltooid.

Een belangrijk college
Het augustijnenklooster speelde vanaf het begin een belangrijke rol voor het onderwijs in Antwerpen. 
Reeds de eerste verbouwingen aan De Ketel bleven niet beperkt tot de inrichting van een kapel en woningen voor de paters. Meteen al werden ook leslokalen gebouwd. Het feit dat de augustijnen onderwijs gaven, was voor de stad trouwens een belangrijk argument geweest om hen toe te laten. Ook voor de kerk had het uiteindelijk de doorslag gegeven omdat onderwijs als een wapen werd gezien voor de contrareformatie. In 1608 kwamen op de eerste schooldag 16 leerlingen opdagen. In 1625 waren er 190 leerlingen wat aanleiding gaf tot de oprichting van een apart collegegebouw. Het aantal leerlingen was wel geringer dan in de andere augustijnencolleges van de zuidelijke Nederlanden. Dat kwam vooral omdat de Antwerpse augustijnen af te rekenen hadden met concurrentie van het gereputeerde jezuïetenonderwijs. Toch moest hun aanbod er kwalitatief niet voor onderdoen.

Het einde
Onder het Franse bewind werd het augustijnencollege samen met klooster en kerk gesloten. Dat gebeurde in 1797. De paters bleven her en der in de stad nog wel lesgeven als gewone citoyens, maar ook dat werd hen nog hetzelfde jaar verboden. Kerk, klooster en inboedel werden openbaar verkocht. De belangrijkste kunstwerken naar Parijs afgevoerd. Hoewel reeds vier jaar later het concordaat tussen Napoleon en paus Pius VII werd gesloten en in 1802 alweer een eerste mis werd opgedragen in de kerk, zou het klooster er nooit meer bovenop komen. Maar dat zou pas twintig jaar later duidelijk worden.