EN • NL
Ticketshop

De nadagen als parochiekerk

Hoe goed de oud-leerlingen van het Sint-Augustinuscollege het ook hadden bedoeld, hun kerk is nooit meer in handen gekomen van de paters augustijnen. Het bleef een gewone parochiekerk. Bovendien mochten de Antwerpse augustijnen, ook na het verdwijnen van de Franse bezetter, alleen nog novicen aannemen na toestemming van de overheid. Eeuwige geloften waren al helemaal uitgesloten. Het gevolg was dat het Antwerpse convent omstreeks 1820 letterlijk uitstierf.

 

Beschermd maar vervallen 
Zoals reeds bleek uit de beschrijving, zou de parochiekerk nog gedurende 150 jaar een bloeiend bestaan kennen, onder meer verlevendigd door de talrijke broederschappen waarvan sommige nog uit de tijd van de augustijnen stamden. 
In 1939 werden de kerk en haar bijgebouwen beschermd als monument. Dat gebeurde vooral wegens de onverbrekelijke samenhang tussen het gebouw en de altaarstukken van Rubens, Van Dyck en Jordaens. Helaas verhinderde die bescherming echter niet het verval. Bovendien ontstond in 1958 instortingsgevaar door de werkzaamheden voor de politietoren, vlakbij. Het koor werd toen onderstut en de drie altaarstukken verhuisden om veiligheidsredenen naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Ze werden vervangen door kopieën.

In 1963 werd een eerste restauratiedossier ingediend. Maar dat kwam slechts met mondjesmaat tot uitvoering wegens de complexiteit en het voortdurend opdoemen van nieuwe problemen. Dat alles speelde zich bovendien af tegen een achtergrond van ontkerkelijking. Vooral vanaf de jaren ’70 liep het aantal praktiserende gelovigen sterk terug. 
Uit die combinatie van uitdagingen ontstond aanvankelijk het idee om de kerk om te vormen tot een museum voor religieuze kunst. Dat bracht een en ander in een stroomversnelling. Op 14 mei 1973 werd de kerk gesloten voor de eredienst. Veel van de aanwezige kunstwerken werden ondergebracht in de Sint-Jacobs- en de Sint-Joriskerk of in het stedelijk depot. 
In 1976 kwam de buitenrestauratie definitief op gang. Twee jaar later werd de kerk officieel ontwijd en overgedragen aan het stadsbestuur.

Naar een nieuw leven als concertzaal
Die eerste restauratiecampagne werd afgerond in 1982. Ze had onder meer betrekking op de kerkgevel, de glas-in-loodramen, diverse kerkdaken, de versteviging van de zijbeuken en instandhoudingswerk aan het meubilair, het orgel en de kapel (zwambestrijding).

Intussen was echter gebleken dat een museum voor religieuze kunst niet haalbaar zou zijn. Vanaf 1985 werd het gebouw af en toe gebruikt voor een tentoonstelling, maar in de aanloop naar Antwerpen 93, Culturele Hoofdstad van Europa, klonk steeds duidelijker de roep om de kerk bruikbaar te maken voor muziekuitvoering. Het succes van de tussentijdse zomerconcerten versterkte die wens tot een vast voornemen dat in 1996 officieel werd bekendgemaakt. De Sint-Augustinuskerk zou een Muziekcentrum worden.

De aanvankelijke plannen om van dit centrum meteen ook een instrumentenmuseum te maken, werden vrij snel verlaten. Hierdoor bleef alleen de optie concertzaal over, wat inhield dat de verdere restauratie en aanpassing zeer doelgericht kon worden afgestemd op deze nieuwe functie. 
Toch sloot die bestemming een museale functie niet volledig uit. Het kerkinterieur en de aanwezige kunstwerken vormen immers een belangrijke permanente tentoonstelling. Dit veronderstelde bijzondere aanpassingen bij de herinrichting en restauratie.