EN • NL
Ticketshop

Het interieur tijdens het Ancien Régime

Drie altaarstukken
In het interieur zijn de Italiaanse invloeden iets sterker aanwezig dan in de gevel? Toch was het zeker in het begin ook binnenin vooral de eenvoud die de kerk sierde.

In 1628 kwam daar de eerste en meteen ook belangrijkste verandering in. De drie Antwerpse grootmeesters van de schilderkunst maakten elk een altaarstuk voor de Sint-Augustinuskerk.

Links: In de Sint-Augustinuskapel werd de noorderbeuk afgesloten met het schilderij De extase van Sint-Augustinus, door Antoon van Dyck. Dit altaar was niet alleen aan Augustinus gewijd, maar ook aan zijn moeder, de heilige Monica. Daarnaast werden Wilhelmus, Nicolaas van Tolentino en Cornelius er vereerd.

Midden: Voor het hoofdaltaar schilderde Rubens Het mystiek huwelijk van de Heilige Catharina. Het hoofdaltaar zelf werd gewijd aan de patrones van de augustijnenorde, Onze-Lieve-Vrouw van Loreto, en aan alle heiligen.

Rechts: Jacob Jordaens’ De marteling van de heilige Apollonia versierde de Apolloniakapel in de zuiderbeuk. Daar werd het kapelaltaar, behalve aan Apollonia, ook opgedragen aan Henricus, Simeon, Lucius en Rochus.

 
De Augustinuscyclus
Merkwaardig is dat de altaarschilderijen werden gemaakt lang voor het hoogkoor en de vermelde kapellen hun afwerking kregen. Eerst kwam onder meer de middenbuik aan de beurt.

Op maat van de ruimte tussen de ramen en de kroonlijst van de zuilengalerij werd vanaf 1650 een reeks schilderijen gemaakt die het leven van de heilige Augustinus uitbeeldden. Deze ‘Augustinuscyclus’, die aan de noordzijde bij het hoogkoor begon, bestaat nog steeds en wordt na restauratie opnieuw opgehangen. Van de zestien anonieme schilderijen zijn er twee toegeschreven aan Willem van Herp en twee aan van Cornelis De Vos. Meer auteurs zijn niet bekend.
Net onder de kroonlijst ziet men een rij rozetten en daaronder de sierlijke halfverheven apostelmedaillons, bloemslingers en engelen tussen de bogen van de zuilenrij. Deze authentieke versieringen zijn gebeeldhouwd door Aert Coens, mogelijk naar ontwerp van bouwmeester Coebergher.

Altaren
In 1671-1672 werd het koorgestoelte achter het hoogaltaar verborgen, dus in de sacristie! Eigenlijk gaven de paters hiermee hun ongelijk toe. Nog voor de bouw van de kerk had hun provinciaal bestuur immers bepaald dat het koor achter het altaar moest worden gebouwd. Op die manier zouden de paters onzichtbaar zijn voor de leken in de kerk. Die richtlijn hadden zij echter naast zich neergelegd, blijkbaar ten onrechte.

Ook in 1671 werd een marmeren tafel geplaatst als hoofdaltaar. Dit pronkstuk van Artus Quellin verdween echter na de verkoop van de kerk in de Franse tijd. De nu nog aanwezige bovenbouw is een creatie van Hendrik Frans Verbruggen. Wanneer die barokke omkadering werd opgericht, is niet duidelijk. Wellicht is het na 1700 gebeurd. In elk geval maakt de boekhouding pas in 1728, precies honderd jaar nadat het Rubensschilderij werd geplaatst, gewag van het vergulden van dit hoogaltaar.

De marmeren altaren in de zijbeuken verschenen eveneens veel later dan de altaarschilderijen: in 1673 in de Augustinuskapel en in 1693 in de Apolloniakapel. Van het eerste altaar, gebouwd door Arnold Quellin de jonge, blijft weinig oorspronkelijks meer over. Het tweede is wel bewaard gebleven, zij het in gewijzigde vorm. Het is vervaardigd door Hendrik Frans Verbruggen of medewerkers van zijn atelier.

Nog meer barok
Hendrik Frans Verbruggen droeg uiteindelijk meer nog dan Coebergher bij tot de barokke uitstraling van het kerkinterieur. Van zijn hand waren immers ook: de preekstoel (1697), de nu verdwenen communiebank (1705), het onder Frans bestuur vernielde portaal (1712), de reliekkasten van Nicolaas van Tolentino en Thomas van Villanova (beide 1721) en – buiten de kerk – de wasbekkens van de sacristie (1690).

In 1718, mogelijk de periode waarin het hoogaltaar werd opgetrokken, voorzag men het hoogkoor van een tongewelf met ronding in de apsis. Die afwerking sluit visueel aan bij het hoogaltaar. Het middenschip kreeg zijn gewelf drie jaar later.