EN • NL
Ticketshop

Voordracht openingsavond Ramsey Nasr

Klassieke muziek is stom en voor mietjes. Oftewel classical music sucks. Dat was mijn bescheiden mening toen ik 15 was. Ik luisterde op mijn jongenskamer afwisselend naar de muziek van mijn ouders (Randy Newman, Pink Floyd, Simon & Garfunkel) en naar wat ik zelf zoal opdook.

Wat ik opdook was niet zo best. Ik noem slechts een Frankie Laine. Ik weet niet wat me bezielde. Ik had aanleg voor zeldzaam slechte smaak. Ook voor mijn ouders was het een raadsel waarom ik naar Frankie Laine luisterde. Ik had het bandje als achtjarige in de sneeuw van Lapland gevonden. Terwijl mijn ouders van het uitzicht op de poolcirkel trachtten te genieten, stond ik ernaast Rollin’, rollin’, rollin’ te gillen.

Eigenlijk had ik géén smaak. Ik was een samenraapsel van lichtgevende bretels en zweetbandjes, nostalgie van mijn ouders en ongerichte, beginnende geilheid. De jaren ’80 waren een duistere periode vol verwarring, met kernbommen en koude oorlog. Ze zijn voorbij, en ik kan alleen maar sorry zeggen tegen iedereen die toen met mij te maken kreeg.

Gelukkig voor Antwerpen woonde ik toen in Rotterdam.

 

Nu was het mij desondanks gelukt een vriendinnetje binnen te slepen. Ze speelde viool. Op een dag, nadat we op haar kamer mijn Frankie Laine-bandje hadden afgedraaid en ik haar andermaal onder de lakens had gedwongen High Noon, Cool Water en Rawhide met me mee te zingen, zette ze stiekem iets anders op. Alsof ze een bolletje levertraan in de aardappelpuree verstopte. Marianne wilde mij genezen.

Het moment vergeet ik nooit. Het was de eerste keer dat ik klassieke muziek echt hoorde en merkwaardig genoeg ook zag. Pas na enige tijd merkte ik hoe iets of iemand vreemd bezit van me nam. Een donkerrode warme kleur probeerde af en toe te versnellen; het pakte me vast bij mijn kruin, ik voelde de kamer aanzwellen en kon moeilijk ademen. Die rode kleur van geluid pompte lucht in mijn longen tot ik niet meer kon. Ik voelde me zwanger en al snel volgde een kolkende uitbarsting.

‘Dat is het nog niet’, zei Marianne. ‘Wacht.’ We bleven wachten, in dat bed, en terwijl ik haar naast me voelde, raakte ik opgewonden, louter van het luisteren. Na 4 minuten en 20 seconden kwam het. Definitief. (Ik ken het exacte tijdstip, vanwege talloze malen terugspoelen daarna.) Een gekmakende kleur stoof op, die me de mond opende. Ik zag hoe een zwerm witte vogels – waarschijnlijk ganzen – omhoogrees, rond mij wervelde als een tornado. Iets ontsnapte uit mijn lichaam. Niet lang daarna was het weg. Het had gevoeld alsof die vogels met duizenden tegelijk door me heen waren getrokken.

Nu was ik leeg. De muziek ging zacht verder. Een bedarend naspel.

Ik vroeg haar versuft wat ik had gezien. ‘Vioolconcerto nr. 1 in G klein van Max Bruch. De eerste beweging. Niemand speelt het zoals hij.’ Hij was Isaac Stern, haar held. Nu ik dit opschrijf, besef ik dat die rode kleur afkomstig moet zijn geweest van dichtgehouden oogleden; dat die ganzen vlekken waren van het knijpen. Maar het verklaart niets van wat ik had gehoord.

Marianne liet me ook delen uit vioolconcerten van Mendelssohn en Dvořak horen. Vaak alleen de eerste beweging. Een heel werk kon ik nog niet aan; voorlopig hield ik alleen de heftige delen binnen. Mondjesmaat werd ik gevoederd met klassieke onrust, waarvan ik niets begreep.

 

Thuis had ik wel eens een klassieke cd zien liggen. Mijn moeder sprak bewonderend over ene Horowitz. Op zulke momenten keek ik haar glazig aan. Rollin’, rollin’, rollin’. Af en toe stond er pianomuziek op, hetgeen ik dan maar tolereerde. Onder invloed van Marianne begon ik te grasduinen in de collectie. Gezegend met mijn zeldzaam slechte smaak vond ik iets bijzonders: Famous Opera Choruses, oftewel ‘Keiharde Opera Koren’. Kijk, daar hadden we wat aan. Het Soldatenkoor. Of het Aambeeldkoor. Mijn voorkeur ging uit naar een koorstuk dat Gira la Cota heette. ‘Draai de Slijpsteen’ was een heerlijk agressief werk. Naar mijn mening werden alle stukken excellent uitgevoerd. Het orkest kwam dan ook uit Ljubljana en het koor uit een gehucht niet ver daarvandaan.

Mijn grootste trouvaille heette The Greatest Classical Hits: on Synthesizer. Dat kón gewoon niet slecht zijn. Met een grote koptelefoon op zat ik contactgestoord mee te wiegen op Golliwogg’s Cake-walk, voorzien van special effects. Ik was een kenner aan het worden. Mijn ouders vroegen zich intussen af wat Marianne allemaal met me uitspookte.

 

Pas na mijn komst naar Antwerpen kreeg ik een notie van wat muziek überhaupt was. Op de Studio Herman Teirlinck werd ik vanaf 1991 opgeleid met traditie en geschiedenis, een verschijnsel dat in Nederland al weggevaagd was. In de schoollokalen hingen handgeschreven aansporingen als ‘Orde en Netheid siert de Student’. Doel van de opleiding was om naast de spellessen een brede algemene vorming te bieden. Vandaar dat wij behalve bewegingsleer, allerlei dansvakken en schermen ook filosofie, kunst- en literatuurgeschiedenis onderwezen kregen. Ik leerde er tevens de muziek kennen: notenleer, zang, koorzang, piano, gitaar en tenslotte: muziekgeschiedenis.

 

Muziekgeschiedenis werd gegeven op zaterdagochtend, van 9 tot 12. Onze docent, Koen Uvin, verwelkomde een bende stinkende dronkelappen in zijn lokaal. Wij kwamen rechtstreeks over uit café de Pallieter. Les of geen les, ons weekend was begonnen. Hij mocht al blij zijn dat we kwamen opdagen.

Meester Koen, bedaard en minzaam, had echter een missie. Deze zat in zijn koffer, die voor onze bloeddoorlopen ogen werd geopend. Elke week haalde hij er een stapel cd’s uit. Meester Koen beschikte als radiopresentator bij BRT 3 over een onuitputtelijke voorraad muziek, afkomstig uit het archief.

Meester Koen was ook geduldig. Hij leek alle tijd van de wereld te hebben. Zijn tijd begon rond het jaar 1200, met de componist Perotinus en diens Sederunt principes, en eindigde hier en nu, in een klaslokaal gevuld met slechte adem. Sederunt animalia.

Meester Koen vroeg niet veel. Het enige wat wij geacht werden te doen, was luisteren. Dit was ook het enige waartoe wij bereid waren op zaterdagmorgen.

Hij zette middeleeuwse muziek op, een mis van Guillaume de Machaut. We wisten niet wat we hoorden: muziek van een buitenaardse wereld. Daarna betoverde hij ons – mij in elk geval – met renaissancistische polyfonie. Voor hem waren die termen Middeleeuwen en Renaissance niet zoiets als Grote Beer of Orion. Hij was er zelf op bezoek geweest.

We lieten hem begaan wanneer hij de schitterendste barokmuziek voor ons draaide en sprak over de overeenkomsten en verschillen tussen Händel, Purcell en Bach. En we geloofden zijn verhalen, omdat hij niet alleen over muziek, maar over mensenlevens sprak; over Schuberts syfillis, Beethovens doofheid, Liszts successen als eerste popidool. Allemaal dingen die iedereen allang weet – iedereen behalve wij.

Elke overbekende anekdote moet iemand je ooit voor het eerst vertellen. Meester Koen had nog bij een heftig ruziënde Brahms en Tsjaikovski aan tafel gezeten, hij had zelf gezien hoe Gesualdo zijn vrouw plus minnaar vermoordde. Meester Koen was een held op zaterdagmorgen.

 

Er waren er meer. Op de Studio Herman Teirlinck liepen docenten rond die leefden voor muziek. De ene zangdocent bespeurde bij mij een latente aanleg voor meerstemmigheid en raadde mij aan eens naar Spem in Alium te luisteren, het 40-stemmig motet van Thomas Tallis. Een ander hoorde me in kopstem zingen en begon over de contratenor Alfred Deller. Een speldocent gaf mij vioolsonates van Ysaÿe mee.

En dan was er dus Koens magische koffer. Meester Koen had niet alleen luistermateriaal voor die ene les bij zich; de volledige muziekgeschiedenis slingerde erin rond. Verdacht vaak hing ik rond in de buurt van die koffer. Na de les kwam ik steevast wat napraten, onderwijl mijn ogen strak gericht houdend op het ding. Er bloeide iets romantisch op tussen mij en zijn koffer (met Marianne was het inmiddels uitgegaan). Na weken van kijken had ik meester Koen zover. ‘Neem er maar een paar mee. Als ik ze volgende week maar terug heb.’ Zwetend graaide ik zijn volledige koffer leeg en verdween. Thuis  beluisterde ik de buit.

Zodoende stonden een week lang Finse liederen van ene Joonas Kokkonen op, of kamermuziek van Guillaume Lekeu, het requiem van Ligeti. Dat, en niet zozeer het ijzeren repertoire, klonk in mijn studentenappartement. Ik groeide evenals vroeger op met wat ik toevallig te pakken kreeg. Wanneer ik in gezelschap van muziekliefhebbers de naam van Kokkonen liet vallen, zag men mij aan voor een groot kenner. Van Sibelius had ik echter nog nooit gehoord.

Het was alsof ik een stad wilde leren kennen door met een brommer in de buitenwijken rond te rijden. Tallis’ Spem in alium was een randgeval van polyfonie, Ysaÿe een Belgische uithoek van de vioolliteratuur, Kokkonen van de Finse muziek. Ik legde een weg af van de rand naar het midden.

 

Van bombastische muziek ben ik nooit helemaal genezen. Werken als de Carmina Burana of Tsjaikovski’s 1812 konden altijd meteen op mijn waardering rekenen, hoe erbarmelijk uitgevoerd ook. Het was de Frankie Laine in mij. Frankie werd echter moedig bestreden door mijn muziekleraren, die erin slaagden een nieuwe, merkwaardige passie voor verstilling bij mij te doen postvatten, en wel in de vorm van polyfonie. Polyfonie werd mijn ziekte.

Er was in die dagen een schimmige man die zich mijn vriend noemde. Hij nodigde mij uit voor concerten en nam bandjes voor mij op met oude Cypriotische polyfonie, met muziek aan het hof van Gaston Febus, isoritmische motetten en weet ik wat allemaal. Ik denk dat hij me probeerde te versieren. Dat werkte niet, maar ik heb zijn versiertechnieken wel overgenomen. Die werken bij mij ook niet. Geen lekker stuk houdt van polyfonie. Zo herinner ik mij een concert van het Huelgas Ensemble afgelopen jaar in de Roma, met werken van Jean Richafort. Ik had twee kaarten. Elk van mijn liefdeskandidates haakte af. Ik zat uiteindelijk ingesloten tussen twee mannen met grijze kabouterbaardjes. Inderdaad: u. En ik dus.

Ander voorbeeld. Ik zat eens op de bank met een kersvers lief. Ze wilde weten wat mijn favoriete muziek was. Dat was toen de al genoemde Messe de Notre Dame van Guillaume de Machaut, uit 1363. Boven de muziek uit schreeuwend legde ik het systeem van de hoquetus uit, een manier van zingen die te vergelijken is met de hik en bijzonder hip toentertijd. Er werd niet gevreeën die avond.

Mijn broertje omschreef deze muziek ooit als volgt: alsof je in een spookhuis rijdt. Met de polyfonie was ik aan een rit begonnen die slecht zou aflopen. Ik had mijn nieuwe Frankie Laine gevonden.

 

De schimmige man die zich mijn vriend noemde, nam vooral cassettebandjes voor me op met dat Huelgas Ensemble o.l.v. Paul van Nevel. Van hen zou ik mijn eerste full price cd aanschaffen. Mijn ‘vriend’ dwong me hiertoe, hij zei dat ik het ding moest kopen – voor de volle prijs, was hij nu helemaal gestoord? Ik vroeg me af waarom híj die cd niet voor me kocht, hij was immers volwassen en verliefd, ik slechts een berekenende student. Ik wist niet eens wat het wás: Nicolas Gombert (c. 1500 – 1577) – Music from the Court of Charles V. Op de cd-hoes stond een gobelin, zo’n Vlaams wandtapijt. Een innerlijke stem zei me dat dit plaatje mij niet opwond. De man die zich mijn vriend noemde zei nogmaals dat ik de cd moest kopen. Frankie Laine gaf de doorslag. Ik legde al mijn geld bestemd voor kostbaar bier op de toonbank beseffend dat ik 899 frank kwijt was.

Dit was het begin van een langdurige ziekte. Nu, jaren later, heb ik een verzameling cd’s in huis waarvan ik het aantal niet durf noemen, laat staan het aantal centjes dat daarbij betrokken was. Ergens is dus iets fout gegaan. Het is de schuld van de schimmige man. Ik heb hem nooit meer gezien. Ik hoop dat hij ongelukkig is.

Nicolas Gombert treft intussen geen blaam. Hij schreef briljante renaissance-muziek, polyfoon en buitenissig. Zo hecht vervlochten klinken de stemmen dat afzonderlijke melodieën vaak niet meer te onderscheiden zijn. Elk werk is een sombere trage rivier van ononderbroken vloeiende lijnen en dissonanten. Het zijn de verschillende stemmen van Vlaanderen en Wallonië. Gombert is in wezen de Grootste Belg; een francofone Vlaming,  werkzaam in een sector waarmee België zijn grootheid zou verwerven: de export. Deze mengelmoes bepaalde 500 jaar geleden de kunst in Italië, Frankrijk en alle grote culturele centra van Europa – in de vorm van schilders, muzikanten, componisten. Bovendien: Gombert werd tot de galeien veroordeeld wegens aanranding van een koorjongen. Als dat geen volmaakte Belg is.

 

Toen wist ik echter nog van niets. In het cd-boekje las ik over Gomberts werkgever Karel V, over de dichtkunst in de renaissance. Ik leerde de geschiedenis kennen via haar muziek. Daarnaast beschreef Paul van Nevel haarfijn wat ik zou gaan horen. Weinig van het musicologisch essay begreep ik, maar het scherpte mijn gehoor wel aan. ‘Let op de kreunende dissonant bij het woord gemir; op de wenende trillers bij plourer, etc…’ Ik deed het volgzaam, als een Vlaming. ‘Orde en Netheid siert de Student’. En ik had, wederom, nog nooit zoiets gehoord.

Ik zat stuk in mijn stoel. Aanvankelijk wilde ik alle individuele stemmen kunnen ontrafelen, ik trachtte ze te volgen – ik had er tenslotte dik voor betaald. Daar ben ik mee gestopt. Vandaag kan ik mijzelf in Gombert verliezen, de weg kwijtraken in meerstemmige verstilling.

Om mijn polyfonie-verslaving te bekostigen moest ik mij prostitueren. Dat deed ik in de Vlaamse Opera. Ik zie me nog staan op het podium, 18 jaar. De Prins van Perzië, zo had men mij beloofd, was een zwijgende, maar uiterst belangrijke rol in Puccini’s Turandot.

Het belangrijkste eraan was dat ik in mijn blote piemel moest opkomen. Het betaalde goed, dus werd ik avond na avond meerstemmig toegezongen door een 80-koppig koor, veel vrouwen, maar ook veel manlievende mannen die hun ogen strak op mijn geslacht gericht hielden, zingend over jeugdige onschuld: ‘O giovinetto! Grazia! In zijn ogen glinstert nog de geestdrift! Pietà!

Met mij hadden ze weinig medelijden. Toen ik tijdens de generale repetitie voor het eerst volledig naakt opkwam, sloeg de dirigent Silvio Varviso een maat over. ‘Waarom heeft u mij daar niet voor gewaarschuwd?’ had hij hevig geschrokken aan regisseur Robert Carsen gevraagd.

Afgezien van de vele cd’s die je als muziekhoer kunt kopen, raad ik het iedereen aan: één keer in je leven door 80 koppen Puccini toegezongen krijgen.

Zo begon mijn liefde voor opera – in Antwerpen.

 

Klassieke muziek, oude polyfonie, opera. Mijn gevoel voor muziek is gevormd in België. Dit land zorgde ervoor dat ik Franse van Italiaanse Middeleeuwen kan onderscheiden, Caravaggio met madrigalen kan vergelijken. Ik ben er nooit in geslaagd deze wezenloze verrukking aan iemand uit te leggen. Mijn vrienden tolereren het zonder me te begrijpen. Het plaatst mij voor altijd aan de rand der mensen, in het midden van de muziek. In wezen doet mij dat alleen maar meer deugd. Ik heb eindelijk iets gevonden dat door mij, met mijn analytische geest, aan niemand uit te leggen is.

Dit is van mij. Dit doe ik op gevoel.

 

Na mijn inwijdingen heb ik op eigen kracht de weg kunnen vinden naar festivals als Laus Polyfoniae; naar een centrum als AMUZ, waar ik vanavond de eer heb deze woorden als opening uit te mogen spreken.

Maar plekken als deze kerk, waar erg oude óf erg nieuwe muziek wordt gespeeld, zijn geen evidente bestemmingen voor een bezoek. En ‘doen op gevoel’ – dat kan louter ontstaan door kennis. Met nieuwsgierigheid alleen kom je er niet: onderwijs, cultuurbeleid en aanmoediging hebben we nodig in Vlaanderen. De toneelopleiding Studio Herman Teirlinck is inmiddels kapotbezuinigd en afgeschaft: te duur. Elke kunst is echter te duur. Juist daarom moeten we haar koesteren. Vanwege haar waardevolle nutteloosheid.

Zonder mijn dure docenten en onnodige kennis had ik nu nog naar Frankie Laine geluisterd. Een Hollands-Palestijnse stadsdichter, dat kan nog. Frankie Laine, dat gaat wat ver.   

Ik ben ontstaan in België. In Antwerpen weet ik wie ik ben: een randgeval, zoals elke klassieke muziekliefhebber. En zelfs binnen die groep zijn er marginalen. Wij, de junkies van oude en nieuwe muziek.

Klassieke muziek heeft mij misvormd op elk terrein. Ook poëzie beschouw ik nu als muziek, meerstemmig, met betekenis.

AMUZ in Antwerpen kan een plek van betekenis worden, voor muziek van meerdere stemmen, van toen en nu. Laten we daarom deze plek ontheiligen en koesteren.

 

(c) Ramsey Nasr – Voordracht openingsavond AMUZ – 13.01.2006