EN • NL
Ticketshop

Vensters op het muziekleven: de rijke Weense Alamire-collectie

De Oostenrijkse Nationalbibliothek bezit de grootste collectie handschriften uit het atelier van Petrus Alamire en zijn voorganger ‘scribent B’. Niet minder dan dertien van de in totaal eenenvijftig gekende manuscripten en fragmenten worden er bewaard. De verzameling is gevarieerd wat inhoud én vorm betreft: missen in groot koorboekformaat, motetten en chansons in afzonderlijke stemboeken, een collectie tweestemmige fragmenten en zelfs unieke losse bladen en katernen die naderhand werden samengebonden. Elk van deze ‘formats’ vertelt iets over de mogelijke functies van de codices.

Het koorboekformaat wijst op mogelijk gebruik in de liturgie, waarbij alle zangers uit hetzelfde boek zongen. Alle partijen werden immers op een opengeslagen dubbelbladzijde genoteerd. Ook de vier handschriften die een band hebben met de Habsburgse hofhouding, hebben dit formaat. Een daarvan is MS Mus. 15496, wellicht door keizer Maximiliaan I gepresenteerd aan aartshertog Karel ter gelegenheid van diens aantreden als heerser over de Bourgondische Nederlanden in 1515. Dat ging gepaard met de instelling van Karels hof – inclusief uitgebreide hofkapel – in Brussel. En welke andere muziek dan die van de favoriete hofcomponist Pierre de la Rue kon hiervoor toepasselijk zijn?

Manuscripten aanbieden als een ceremonieel geschenk gebeurde wel vaker, en voor de Weense Alamire-collectie was dat niet anders. Zo gaf ook Filips de Schone rond 1505 Alamire’s voorganger, scribent B (Martin Bourgeois?), de opdracht om een misboek (HS 1783) samen te stellen voor Emanuel I van Portugal en Maria van Spanje. Het repertoire – missen van hofmusici als Pierre de la Rue, Gaspar van Weerbeke, Alexander Agricola en Mabriano de Orto – weerspiegelde het rijke liturgische muziekleven en daarmee ook de faam van Filips’ hofkapel.

Negen Weense manuscripten – waaronder enkele koorboeken – werden lange tijd in Augsburg bewaard en gebruikt. Zij waren eigendom van leden van de belangrijke bankiersfamilie Fugger die nauwe banden hadden met de Habsburgse keizers als geldschieters en raadsheren. Ze wisselden zelfs musici uit. Tot 1493 bleef de keizerlijke hofkapel overigens officieel in Augsburg gevestigd.

Augsburg kende dan ook een levendige muziekscene, niet enkel binnen haar grote religieuze instellingen, maar ook onder de gegoede burgerij. Vooral Raymund Fugger de Oudere (1459-1535) was een verwoed verzamelaar van handgeschreven en gedrukte muziekboeken. Speciaal voor hem werd een set stemboeken met motetten vervaardigd in het Alamire-atelier (MS Mus. 15941). Ook drie andere Alamire-handschriften dragen het Fugger-wapenschild en kunnen voor hem zijn gemaakt. Twee daarvan zijn ook stemboeken. Dit formaat, met een apart volume per partij, was toepasselijk voor gebruik binnenskamers en zou iets later in de 16de eeuw een ware opmars kennen.

Raymund Fugger verzamelde enkele bijzondere Alamire-codices. Opvallend is bv. de vijfstemmigheid van het uiterlijk bijzonder onopvallende manuscript MS Mus. 18746, een handschrift met vooral Franse chansons, maar zonder enige decoratie. Alamire zette er niettemin op verschillende plaatsen zijn handtekening in. Hoewel ze in Fuggers bibliotheek zouden terechtkomen, waren deze stemboeken oorspronkelijk niet voor de Fugger-familie bestemd. De twee stemboeken van MS 18832 dragen wel het familiewapenschild. Zij bevatten louter tweestemmige fragmenten uit verschillende missen en motetten. Dergelijke collecties werden ingezet in het muziekonderricht. Leerden Raymund Fuggers zonen met deze specifieke stemboekjes musiceren uit mensurale notatie?

De Fugger-collectie omvat ook verschillende koorboeken. Twee daarvan zijn ware buitenbeentjes. HS 9814 is een groot verzamelhandschrift dat een groep losse Alamire-bladen omvat (fols. 132-152). Op de voorzijde van elk blad is telkens één partij van een bepaald werk genoteerd, terwijl de achterzijde een partij van een ander werk toont. Gebruikten de zangers uit de hofkapel van Karel V of Margareta deze losse bladen om in grote formatie, bij uitzonderlijke gelegenheden, per stemgroep van te zingen? Of dienden ze binnen het scriptorium als exemplaren, op basis waarvan nieuwe kopieën werden gemaakt? Het verzamelhandschrift HS 11883 vervulde zeker die laatste functie. Het bevat onder andere de Missa La plus gorgiase met de enigmatische inscriptie ‘per Alamÿr’. De katernen dateren uit de periode c. 1475-1530 en werden wellicht in verschillende workshops genoteerd om ten slotte in Alamire’s atelier dienst te doen voor ze in de Fugger-collectie terechtkwamen.

Van alle Weense Alamire-handschriften is enkel het koorboek voor Emanuel van Portugal rechtstreeks via de Habsburgers en hun keizerlijke Hofbibliothek in de Oostenrijkse Nationalbibliothek terechtgekomen. De Fugger-collectie ging over van vader op zoon en werd pas in 1656 aangekocht door keizer Ferdinand III. De drie overige koorboeken werden ondanks hun rechtstreekse keizerlijke band pas na vele omzwervingen in 1936 opgenomen in de Nationalbibliothek.

Tijdens Laus Polyphoniae stellen een aantal concerten specifiek muziek uit deze Weense handschriften centraal. PER-SONAT brengt vierstemmige motetten uit MS Mus. 15941 waarvan Sabine Lutzenberger de ontbrekende bovenste stem reconstrueerde. In het Rubenshuis hoort u Vic De Wachter vertellen over het leven van de polyfonisten. Tijdens muzikale intermezzo’s brengen Thomas Baeté en Guillermo Pérez eenvoudige tweestemmige bicinia. Tore Denys vond in de Österreichische Nationalbibliothek een mis die in geen enkel ander handschrift voorkomt. La Capilla voert deze Missa per Alamÿr voor u uit. Ook Cappella Mariana selecteerde muziek uit handschriften uit deze bibliotheek. Stile Antico, ten slotte, brengt met zijn eerste concert muziek die aan het Habsburgse hof heeft weerklonken.

(c) Nele Gabriels (KULeuven | Alamire Foundation)